Protocol herstart universiteiten

Deze week publiceerde de VSNU een protocol waarin staat omschreven hoe universiteiten weer kunnen gaan opstarten vanaf 15 juni. Het hele document is hier te vinden, voor promovendi zijn de onderstaande punten met name van belang:

In het algemeen:

  • Medewerkers werken thuis indien hun werkzaamheden dit toelaten;
  • Voor het onderzoek blijven de huidige RIVM richtlijnen van kracht. Dit betekent onder meer dat het voor instellingen mogelijk is om medewerkers onderzoeksactiviteiten te laten verrichten binnen de fysieke locatie(s) van hogeronderwijsinstellingen, in het geval dit onderzoekswerk niet op afstand plaats kan vinden en mits dit organiseerbaar is binnen de algemene instructies van RIVM en GGD. Datzelfde geldt voor voorbereidende werkzaamheden van docenten voor onderwijsactiviteiten;
  • Er is ruimte voor instellingen om gelet op hun eigen verantwoordelijkheid, continuïteit en organiseerbaarheid – in overleg met de medezeggenschap – eigen afwegingen te maken bij de toepassing van dit protocol;
  • Er wordt gestreefd naar gelijke rechten en plichten voor (buitenlandse) studenten en werknemers bij het opstarten van onderwijs en onderzoek;
  • Er is ruimte voor maatwerk in de te nemen beschermingsmaatregelen, onder andere voor medewerkers en studenten uit risicogroepen. Hierbij moet een goede balans gevonden worden met de noodzaak om deze middelen in te zetten voor zorgprocessen.

Onderzoek specifiek:
Universiteiten, KNAW- en NWO-instituten hanteren op dit moment de volgende richtlijnen bij het invullen van de ruimte die er is voor onderzoek:

  • Vooralsnog geldt dat onderzoeksactiviteiten die op afstand plaats kunnen vinden, ook op afstand plaats zullen vinden;
  • Bij het invullen van de ruimte voor onderzoek binnen de universiteitsgebouwen, heeft de afronding van onderzoeksprojecten van PhD’s en postdocs prioriteit. Daarbij weegt ook het belang van het onderzoek voor de gezondheidszorg en de bijdrage aan het verbeteren van de situatie rond corona zwaar.

Wijzigingen supervisor of the year award: Deadline 10 mei

Sinds 2014 reikt PNN the supervisor of the year award uit. Vanwege de corona crisis is het uiteraard niet mogelijk om deze bijeenkomst te laten plaatsvinden zoals vooraf bedacht. Omdat we de award wel belangrijk vinden en het event niet willen uitstellen, zal uit de kandidaten een top drie worden opgesteld en zij zullen worden uitgenodigd voor een digitale sessie waarin de winnaar bekend wordt gemaakt. Nadien zal dit uiteraard publiekelijk bekend worden gemaakt.

Blinkt jouw supervisor uit in communicatie? Weet hij of zij jou dagelijks te

motiveren? Of beschikt jouw supervisor of andere essentiële kwaliteiten waardoor hij of zij kans moet maken op deze award? Dan heb je tot 10 mei om jouw supervisor aan te melden. Klik hier voor meer informatie

PNN PhD Survey: Stelt de relevante vragen PNN heeft jouw input nodig om de promotietrajecten in Nederland te verbeteren!

We beseffen ons dat de coronacrisis mogelijk een grote impact heeft op je promotietraject. PNN werkt op dit moment hard om oplossingen voor deze corona-gerelateerde problemen te vinden. Echter, ook zonder deze corona-gerelateerde problemen ervaren veel promovendi nog andere problemen tijdens hun promotietraject. Het is een van de kerndoelen van PNN om deze problemen aan te pakken, en daarom willen wij deze problemen identificeren en kwantificeren.

Daarom vragen we jullie om ons te laten weten wat er wel en wat er niet goed gaat in jouw promotietraject in de PNN PhD survey! De survey omvat namelijk ook allerlei onderwerpen die normaliter niet worden besproken in PhD surveys, maar die wel cruciaal zijn om de situatie van promovendi te verbeteren. PNN zal de data vertrouwelijk behandelen, dus voel je vrij om alle zorgen die je mogelijk hebt te delen.

Hoe meer promovendi de survey invullen, hoe beter PNN in staat zal zijn om problemen aan te kaarten en beleidsmaken te overtuigen van veranderingen. We roepen daarom iedereen op die op dit moment bezig is met een promotietraject, ongeacht contracttype of institutie, om deze survey in te vullen!

Daarnaast kun je, bij deelname aan de survey, je inschrijven om kans te maken om een van twee Career Coaching sessies bij een professionele carrière coach te winnen!

Je kunt de survey hier invullen!

Survey voor promovendi in de UMC´s

Omdat er in de UMCs unieke problematiek voordoet naar aanleiding van COVID-19, is er een aparte survey ontwikkeld voor promovendi in de UMC´s.  Wij horen graag van jou waar jij tegenaan loopt. Deze informatie kunnen wij vervolgens gebruiken om jouw belangen beter te behartigen tegenover beleidsmakers. Deze survey is hier te vinden.

Kanttekeningen bij critical review OCW experiment promotieonderwijs

Vandaag publiceerde het ministerie van OCW de critical review naar de tussenevaluatie van het Experiment Promotieonderwijs. Tot onze spijt lijkt deze review ons verre van critical en hebben we serieuze kanttekeningen bij de conclusies en onderzoeksvragen van dit onderzoek.

Allereerst vinden we het erg vreemd dat de onderzoekers de tussenevaluatie een stempel van goedkeuring kunnen geven, terwijl ze tegelijkertijd concluderen dat a. niet uitgesloten kan worden dat er een financieel motief is voor deelname aan het experiment (wat het Besluit Experiment Promotieonderwijs niet toestaat), b. de definitie van verdringing dusdanig was dat de conclusie bij voorbaat vastlag, en dus niet goed onderzocht kon worden en c. de tussenevaluatie onterecht concludeert dat beurspromovendi meer vrijheid ervaren dan werknemerpromovendi. Dit zijn verkeerde conclusies van de tussenevaluatie die de hele tussenevaluatie hebben gekleurd, ten gunste van de RUG en ten nadele van de beurspromovendi.

Ten tweede betreuren wij ten zeerste dat de onderzoekers geen aandacht hebben besteed aan de totstandkoming van de tussenevaluatie. Juist in die totstandkoming hebben zich dusdanige problemen voorgedaan die de resultaten van de tussenevaluatie kunnen hebben beïnvloed. PNN heeft de onderzoekers aangeboden om zijn bezwaren toe te lichten, en de hoop uitgesproken dat de onderzoekers ook oog zouden hebben voor de problemen in de totstandkoming van de tussenevaluatie, maar die hoop is tevergeefs gebleken: de onderzoekers hebben zich puur en alleen gericht op de tekst van de tussenevaluatie en de verklaringen van de onderzoekers van de tussenevaluatie.

Over de, in de ogen van PNN problematische totstandkoming wordt in de tekst van tussenevaluatie met geen woord gerept. Er wordt niet beschreven dat de personen die door de onderzoekers zijn geïnterviewd zijn uitgekozen door een van de grootste belanghebbenden bij en voorstanders van het experiment: de decaan van de Graduate Schools. Er wordt ook niet beschreven dat deze decaan de door hem uitgekozenen heeft aangespoord om positief te zijn over het experiment. Deze problemen zijn door PNN herhaaldelijk aangekaart, ook in de media, en waren dus algemeen bekend. Het waren ook deze problemen die de aanleiding zijn geweest tot dit onderzoek naar de kwaliteit van de tussenevaluatie. Het is daarom dus uitermate vreemd dat juist deze problemen geen onderdeel zijn geweest van dit onderzoek.

PNN vraagt zich daarom af hoe dit eigenlijk heeft kunnen gebeuren. Het lijkt moeilijk te geloven dat, ondanks alle keren dat PNN over deze problemen aan de bel heeft getrokken en de media hierover hebben geschreven, deze problemen door de onderzoekers over het hoofd gezien zijn. Het heeft er meer van weg dat er een bewuste keuze gemaakt is om deze problemen geen onderdeel te laten zijn van het onderzoek of de onderzoeksopdracht.

Maar zelfs als de inmenging vanuit Groningen buiten beschouwing wordt gelaten, is het vreemd dat de onderzoekers tot hun positieve eindconclusie komen. Er is namelijk ook wetenschappelijk onderzoek dat precies het tegenovergestelde concludeert over dezelfde tussenevaluatie. Prof. Rob van Gestel, hoogleraar Rechten aan Tilburg University, komt in zijn artikel namelijk tot de conclusie dat de tussenevaluatie niet aan de maat is en onvoldoende aansluit bij de doelstellingen van het experiment, en dat de onderzoekers van de tussenevaluatie daar weinig kritisch over zijn. Ook betrekken de onderzoekers volgens hem vaak normatieve stellingnames in de tussenevaluatie, terwijl die niet worden onderbouwd of onjuist zijn. Hoe kan het dat hem dit wel opvalt, maar dat de onderzoekers die het onderzoek in opdracht van het ministerie van OCW uitvoerden dit over het hoofd zien?

Wat het ministerie niet lijkt te beseffen, is dat de beurspromovendi hier de dupe van zijn. Zij hebben in hun manifest duidelijk laten blijken dat er grote problemen zijn met het experiment: een signaal dat luid en duidelijk ingaat tegen het rooskleurige beeld dat de tussenevaluatie schetst. Door nu weer niet goed te kijken naar de kwaliteit van die tussenevaluatie, laat het ministerie de beurspromovendi volledig in de kou staan, en veroordeelt zij een nieuw cohort promovendi tot dezelfde problemen.