Persbericht: 18,6% van de promovendi heeft te maken (gehad) met ongewenst gedrag op de werkvloer

Maar liefst 18,6% van de promovendi heeft wel eens te maken (gehad) met discriminatie, seksuele intimidatie, schendingen van de wetenschappelijke integriteit, of andere vormen van ongewenst gedrag. Dat blijkt uit onderzoek van PNN op basis van een survey onder 1.601 promovendi in Nederland. Van de verschillende vormen van ongewenst gedrag komt met name discriminatie relatief vaak voor (8.6%).

Uit eerder onderzoek van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, dat vorig jaar werd gepubliceerd, bleek reeds dat ongewenst gedrag veelvuldig voorkomt in de gehele academie. Omdat promovendi echter onderaan de hiërarchische ladder, zijn zij bijzonder kwetsbaar. “Het onderzoek van PNN is een waardevolle aanvulling op bestaande casussen en cijfers en biedt daarnaast handvatten voor universiteiten om met sociale veiligheid aan de slag te gaan. Veel promovendi weten bijvoorbeeld wel dat universiteiten hulp bieden bij gevallen van seksuele intimidatie of schendingen van de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, maar niet of de universiteit ook kan ondersteunen in het geval van discriminatie”, aldus PNN-voorzitter Rosanne Anholt.

De meest ervaren vorm van discriminatie blijkt discriminatie op basis van geslacht te zijn (45,1%),  waar met name vrouwen last van hebben. Sowieso zijn het voornamelijk vrouwen die te maken hebben met ongewenst gedrag (20,5% van de vrouwen ervaart ongewenst gedrag, tegenover 13,4% van de mannen; ook seksuele intimidatie wordt in 95,5% van de gevallen ervaren door vrouwen). Daarnaast komt discriminatie op basis van nationale afkomst (41,1%) en etniciteit (24,8%) regelmatig voor en treft het met name internationale promovendi. Rosanne Anholt: “Als Nederlandse universiteiten hun internationale karakter willen waarborgen en internationale promovendi willen aantrekken en behouden, is het belangrijk dat zij zich daar ook thuis voelen”.

Van de promovendi die gebruik hebben gemaakt van de ondersteuning die universiteiten bieden bij ongewenst gedrag was 47,6% van de promovendi tevreden, maar ook 35,7% ontevreden. “We zien nog té vaak dat promovendi in de procedures vastlopen, ontmoedigd worden of dat daders worden beschermd omdat zij veel status genieten. Hier is dus nog veel winst te behalen.” PNN pleit daarom voor goede hulpstructuren die toegankelijk zijn, onafhankelijk zijn, mogelijkheden bieden om actie te ondernemen tegen degenen die ongewenst gedrag vertonen, slachtoffers serieus nemen en, bovendien, statusblind zijn.

Dit rapport is onderdeel van een publicatiereeks van PNN op basis van de resultaten van de PNN PhD survey. Andere rapporten in deze reeks gaan onder andere over het geven van onderwijs, begeleiding en Open Science. Met dit rapport probeert PNN ervoor te zorgen dat de sociale veiligheid hoog op de agenda van de academie blijft staan.

Reactie VSNU:
De VSNU neemt de bevindingen uit dit rapport serieus. In de vereniging wordt al langer gewerkt aan een stevige aanpak van sociale onveiligheid. De invoering van de ombudsfunctie op elke universiteit is daarvan een voorbeeld. VSNU-voorzitter Duisenberg: “Veilig werken is van het grootste belang. Je kunt een incident misschien niet altijd voorkomen, maar we werken hard aan een veilige werkcultuur”.